De provodnik houdt geen rekening met mij. Hij heeft Sergej zojuist een bord met uiendrab verkocht. En meer bier natuurlijk. De man gaat steeds erger stinken.

Bleek doorgroefd gezicht, brede greins met twee gouden tanden, waterige rode ogen en een pruillip. Best een eng gezicht om te zien als je net wakker wordt. Maar het had erger gekund. Hij is vervelend maar niet onvriendelijk. En hij slaapt gelukkig veel.
De provodnik kwam zojuist binnen om te stofzuigen. Hij nam de kont van mijn slapende metgezel mee.

Het hielp niet.

Hij zit op, drinkt bier, gaat roken en slaapt weer. Als hij wakker is ziet hij er oprecht ongelukkig uit.

Net is hij na het roken de verkeerde coupe binnen gelopen. De aanwezige dame heeft het op een gillen gezet. De provodnik heeft hem wederom streng toegesproken. Sergej liet het over hem heenkomen, ging liggen en probeerde kreunend zijn kussen te wurgen.

Twee keer heb ik hem betrapt toen hij in de coupe een sigaret opstak. Hij probeert het stiekem, maar daar is hij in zijn toestand niet meer toe in staat. Tweemaal is hij gedwee naar het rokersbalkongestommeld. Lopen begint nu ook echt een probleem te worden.

Het is alweer een paar uur later en hij heeft nu definitief het zombieschap bereikt. Ik zag het gebeuren deze keer. Hij probeerde weer de verkeerde deur. Een hoop heibel. Sergej werd onze coupe weer ingeschopt en de provodnik wenkte me. Hij had besloten mij uit mijn leiden te verlossen. Er was een coupe vrij gekomen en daar kon ik dan wel in. Juichend ben ik mijn spullen wezen pakken. Gered!

Nu zit ik heerlijk in mijn eentje in een niet-stinkend hokje. Maar ik ben nog niet helemaal van Sergej verlost. Zijn rook-frequentie is sinds mijn vertrek flink omhoog gegaan. Ik zie hem elke keer voorbij schuivelen. Hij ziet mij niet. Hij ziet niets meer. Zijn hele besef van de wereld is verdwenen. Hij wil alleen maar roken. Maar vooral drinken.

Ondertussen heb ik nieuwe vrienden gemaakt. Drie jonge militairen die in Vladiwostok zijn geweest om een auto te kopen. Honda’s. Ze zijn daar veel goedkoper. Ze hebben de grootste lol om Sergejs talrijke heen en weer gestommel en zeggen dat hij naar mij op zoek is.
Dat lijkt me niet zo waarschijnlijk. Maar het is wel opvallend dat hij nu zo vaak heen en weer loopt. Iedereen is nieuwschierig naar wat hij daar op het rokersbalkon doet. Hij is er te kort om te roken.

We zullen er nooit achterkomen. Want al snel daarna heeft Sergej ons verlaten. De provodnik heeft hem nu zelf betrapt op het roken in de coupe. Zonder mijn sociale controle is hij definitief gestopt met het letten op zijn omgeving. En mijnheer provodnik vond het nu wel genoeg geweest. In Jekatherineborg is die arme Sergej door de politie uit de trein gezet. Als een lammetje naar de slachtbank. Hij had totaal geen benul meer van wat er aan de hand was. Hoe kan iemand zichzelf zo af laten glijden?

Mijn drie nieuwe vrienden lachten er om en kochten twee tweeliterflessen bier om het te vieren. Ik heb even getwijfeld maar besloot dat ik nooit zo zou worden als Sergej. Ook niet als ik nu een glas bier dronk. Bovendien zijn ze braaf, die nieuwe vrienden van me. Om negen uur gingen ze slapen.

De laatste dag van de reis heb me vooral afgesloten van iedereen. Ook voor mijn nieuwe vrienden. Heerlijk alleen in de coupe. Niets aan mijn hoofd. Niets om handen. Eindelijk. Toch nog een zondag.